Arne Sierens werd geboren op 15 augustus 1959. Hij groeide op in de Brugse Poort, een arbeiderswijk aan de westkant van Gent. Zijn verbondenheid met die wijk heeft een onmiskenbare stempel op zijn werk gedrukt. Wat Aalst is voor Louis Paul Boon, Rimini voor Fellini of Little Italy voor Scorcese, is dit eiland van arbeiders en sociale woningen voor Sierens: 'Een plek waar de condition humaine zichtbaar wordt. Er wonen geen goden, maar sukkelaars, je ziet er geen tragedies, maar melodrama'. Van zijn vader, de vroeg gestorven romancier en filmrecensent Frans Sierens, krijgt hij de liefde voor literatuur en film mee. Op die manier komt Arne Sierens reeds vanaf zijn kinderjaren in contact met de spanning tussen Kunst met hoofdletter en de volkscultuur, een spanning die een belangrijke zal spelen in zijn oeuvre.

Na de middelbare school volgt hij de opleiding regie aan het RITCS in Brussel, waar hij in 1981 afstudeert. Hij start zijn carrière als regie-assistent bij Gentse theaterhuizen als het NTG, Arena en Arca. Een tijdlang is hij lid van het performancecollectief Parisiana van Erik Devolder. Tijdens zijn studentenjaren is hij actief in de muziekwereld als organisator en als zanger van de postpunkgroep Perfectone (1980-1981), de band die hij samen oprichtte met Johan De Smet en zijn broer Sven. De punkscene en de hele (rebellerende) subcultuur worden een belangrijke inspiratiebron voor Sierens' latere teksten en ensceneringen. Johan De Smet zal later de muziek componeren voor de drie opera's die ze samen maken: 'Het rattenkasteel' (1984), een sleutelproductie, gebaseerd op de strip van Marc Sleen, 'De liefde voor de drie manen' (1988) en 'Je pleure des bananes' (1989).

In 1977 had Arne Sierens 'Dodenklas' van Tadeusz Kantor gezien, de poolse theatermaker die hij als zijn grote mentor ziet en wiens stijl en methode van werken hem fundamenteel hebben beïnvloed.

In 1982 richt hij met regisseur/acteur Jan Leroy en een aantal spelers (waaronder de latere schrijfster Geertrui Daem), de theatergroep met de programmatische naam De Sluipende Armoede op. Dat gebeurde toen in de marge van het officieel gesubsidieerde theater, dat nauwelijks mogelijkheden bood aan de nieuwe generatie theatermakers. Binnen dit gezelschap worden de meeste van Sierens' eerste theaterprodukties en opera's gecreëerd.

Na regies en bewerkingen van de klassieke stukken 'De Ruiters/De Zee' (naar J.M.Synge), 'Stella' van Goethe en 'Rode Oogst' (naar de 17de eeuwse wraaktragedie Arden of Feversham), debuteert hij als schrijver met 'Het Vermoeden' (1982) dat hij samen met Jan Leroy bij het amateurgezelschap De Melomanen regisseert. De samenwerking met Jan Leroy zet hij verder tijdens 'De Soldaat-Facteur en Rachel' (1986), een stuk over de eerste wereldoorlog, waar hij naast auteur en coregisseur ook acteur is, en tijdens 'Los Muertesitos / Onze Lieve Doden' (1988), produkties waarin hij de wegen van het episch theater verkend.

Een belangrijk moment is de creatie van 'Mouchette' (1990) voor Oud Huis Stekelbees, in een regie van Johan Dehollander. De tekst wordt herhaaldelijk bekroond in binnen- en buitenland en betekent voor Sierens de doorbraak naar een groter circuit. Zo schrijft hij voor Toneelgroep Amsterdam 'Constant Pardon / Falstaff in Congo' (1990). Het stuk werd er echter nooit opgevoerd.

De samenwerking met Johan Dehollander als regisseur zet hij van 1992 tot 1994 verder als huisschrijver van de Blauwe Maandag Compagnie, het toenmalig gezelschap van Luc Perceval. In deze context komen 'Boste' en het tweeluik 'De drumleraar' en 'Juffrouw Tania' tot stand. Op basis van improvizatie met de spelers komt de raamvertelling 'Dozen' tot stand. Voor Het Zuidelijk Toneel van Ivo Van Hove vertaalt hij intussen 'Het begeren onder de olmen' (1992) van Eugene O'Neill en 'Splendid's' (1994) van Jean Genet.

Sierens constateert in die periode dat schrijven alleen hem niet interesseert en beslist radikaal hij terug te keren naar zijn oorspronkelijk ideaal van 'auteurstheater' waarbij - zoals in de 'auteurscinema' - schrijven en regisseren deel uit maken van één continu creatieproces. Deze beslissing leidt tot een breuk met Blauwe Maandag Compagnie.

Hij vindt nadien een artistieke partner in choreograaf Alain Platel. Samen maken zij de trilogie 'Moeder & Kind' (1994) 'Bernadetje' (1996) en 'Allemaal Indiaan' (1999). Deze voorstellingen, geproduceerd door het Gentse theaterhuis Victoria, gaan een origineel verband aan tussen dans, theater, muziek, actie en vertelling en werken voor Arne Sierens als een bevrijding. Ze krijgen nationaal en internationaal bijzonder veel weerklank. De Franse krant Le Monde plaatst 'Bernadetje' op één lijn met het werk van Peter Brook en Pina Bausch. De drie produkties toeren uitgebreid over de hele wereld en overal bekroond.

Parallel aan zijn samenwerking met Alain Platel, gaat hij vanaf 1995 een artistieke alliantie aan met Johan Dehollander en zakelijk leider Stef Ampe in het Gentse Nieuwpoorttheater. Het drietal laat dit huis evolueren van een presentatieplatform naar een kunstencentrum. Samen met Dehollander maakt Sierens de vertelproduktie 'Napels' (1997). Hij schrijft in 1998 'De broers Geboers'. een produktie die erg controversieel is omdat er het opkomend rechts extremisme wordt in uitgetekend.

In 1997 is Nieuwpoorttheater curator van het Time Festival en zet Sierens het 'Onderzoeksproject Kuiperskaai' waarin bewoners en betrokkenen door een groep onderzoekers worden geïnterviewd over hun relatie met deze beruchte uitgaansbuurt van Gent.

Gaandeweg in deze periode ontwikkelt hij zijn eigen, unieke methode van werken: creaties in collectief met de spelers, op basis van vanuit uitgebreide improvizaties op de vloer, gekoppeld aan interview- en researchsessies. Hij laat zijn schrijftafel en de speelvloer als het ware volledig in mekaar opgaan. Deze methode past hij vanaf dan toe in bijna al zijn volgende produkties.

In 'Mijn Blackie' (1998) een coproductie met HETPALEIS, cast hij voor de eerste keer zijn latere kompaan Johan Heldenbergh. Beeldend kunstenaar Guido Vrolix wordt zijn vaste scenograaf. Nadien volgen het fel gecontesteerde 'Niet alle Marokkanen zijn dieven' (2001) en 'Martino' (2003), beiden in coproduktie met HETPALEIS.

In 2004 leidt een nieuwe artistieke alliantie tussen Johan Heldenbergh, Marijke Pinoy en Arne Sierens, tot de oprichting van Compagnie Cecilia. Hun eerste produktie 'Maria Eeuwigdurende Bijstand' wordt geselecteerd voor het festival van Avignon. Bij hun passage schrijft Le Figaro: 'Arne Sierens, l'un des hommes du théâtre européen qui sait le mieux entendre et traduire la détresse du monde, sans leçon, sans discours politique, mais par une écriture scénique.'

Binnen Compagnie Cecilia volgen nadien 'Trouwfeesten en processen enzovoorts' (2006), 'Broeders van Liefde' (2008) in samenwerking met Union Suspecte, 'Apenverdriet' (2009) en 'Schöne Blumen' (2010), allen in coproduktie met HETPALEIS. Er vormt zich een vast gezelschap met spelers als Titus De Voogdt, Robrecht Vanden Thoren en Mieke Dobbels.

Hoewel de subsidie in 2009 stijgt, is die onvoldoende om alle artistieke ambities waar te maken en verlaat Marijke Pinoy het gezelschap. Vanaf dan vormen en Sierens en Heldenbergh de artistieke spil van Compagnie Cecilia.

Tijdens het erg radicale 'Altijd Prijs' (2008) werkt Sierens voor het eerst met de franse componist/gitarist Jean-Yves Evrard, die vanaf dan zijn vaste muzikale partner wordt voor de meeste van zijn volgende produkties.

Met 'De Pijnders' (2011) wordt er, in coproduktie met Theater Antigone en De Werf Brugge, weer een produktie van groot formaat gemaakt met zes spelers en drie muzikanten.

Met de monoloog 'Lacrima' (2012) schrijft Sierens terug een stuk aan tafel, dat hij vervolgens regisseert.

Als groot circusliefhebber integreert Sierens voortdurend circuselementen in zijn voorstellingen. Met 'Gloria (in den hoge)' (2013) en Ensor werkt hij voor het eerst samen met circusartiesten, de laatste produktie is een samenwerking met Circus Ronaldo.

Als theatermaker heeft Arne Sierens een zeer persoonlijke en unieke stijl, weg van het traditionele theater, met sterke wortels in het alledaagse, het volkse en het epische. Hij noemt zich 'seismograaf van deze tijd' en streeft naar een autonoom theater dat zich losmaakt uit het literaire en zich inschrijft in het fysieke en het dansante. Hij heeft een obsessie voor het anekdotische, dat hij verzamelt via langlopende interview- en onderzoeksprojecten.

Centraal in zijn methode van werken staan de improvizaties van zijn spelers op de vloer en intense personagestudies, waaruit hij bewegingen en teksten 'samplet', die hij dan via een lang gistingsproces (vijf maanden werken is de regel) mixt met zijn eigen teksten en fysieke voorstellen en weeft tot een 'partituur' die de basis vormt van het uiteindelijk spektakel waarin alle elementen samenvloeien tot een ritueel en theater dat 'even levend en tastbaar is als het leven zelf' en als het ware bij elke voorstelling opnieuw wordt geboren.

Hij zoekt voortdurend naar de alchemie tussen tekst, vertelling, dans en muziek, en naar een permanente cross-over met populaire cultuur zoals het melodrama en het circus. Zijn obsessie voor beweging en muziek brengt hem erv toe samen te werken met choreografen zoals Alain Platel, Koen Augustijnen en Ted Stoffer,; en componisten zoals Jean-Yves Evrard en Daan Vandewalle.

Arne Sierens zegt sterk beïnvloed te zijn door het Oosters theater en de Poolse theatermakers Tadeusz Kantor en Grotowski; schrijvers Louis Paul Boon en Céline, en filmmakers als Pier Paulo Pasolini, Federico Fellini, Robert Bresson, Martin Scorcese, Wong Kar-Wai, John Cassavetes, Aki Kaurismaki, Jacques Audiard en Nicolas Windig Refn. Daarnaast vindt hij heel veel inspiratie in strips, beeldende kunst, fotografie en in het bijwonen van assissenprocessen.

"De dialogen zijn niet gebouwd op een psychologiserend discours of gedragen door zwaar gemodelleerde karakters à la Strindberg, om maar één sculpteur van de ziel te noemen. De personages hebben zich vaak zelf in de nesten gewerkt, maar in dat kluwen van miserie en verdriet ontwaar je niet het grote Slachtoffer of de grote Schuldige. Het gaat veeleer om de algemene onmacht van de condition humaine, geconcretiseerd in kleine, spartelende volkse posturen, wier taal navenant is."

"Het kloeke betoog is vervangen door flitsende taalreflexen, explosieve dialogen die signalen uitsturen van wat daarbinnen bobbelt en kolkt. En daartussen: verhaalsegmenten die wortels blootleggen. De taal is krachtig, primair, soms triviaal, en zeer suggestief. Korte zinnen en een grillige syntaxis die nauwelijks een gedachtestroom afwerkt. In het onbetwistbaar volkse idioom met zijn grote plasticiteit schuilen niet alleen poëzie en humor, maar ook een dosis filosofie van het gezond verstand, vermengd met absurde logica. De figuren spreken het dialect van hun ziel. En het is letterlijk via de taal dat ze ons binnentrekken in hun wezen. Nooit rechtstreeks, en zonder zich helemaal bloot te geven, want dat kunnen ze niet."

"Het zijn kwetsbare figuren, ze zetten een grote mond op, houden van zelfspot en halen zich gekke situaties op de hals. In conversaties springen ze van de hak op de tak, omdat het in hun aard ligt van niet lang bij de zaak te kunnen blijven, omdat een thema plots als een brok in de keel zit en eruit moet, of gewoon om van het onderwerp af te zijn. Die wispelturigheid is ook fysiek gekleurd en heeft te maken met een soort onrust en onzekerheid. Ze missen houvast en een vaste lijn in hun bestaan en lijken voortdurend op zoek naar een veilige biotoop. In hun relaties (man-vrouw, ouders-kind, vrienden) zit het schots en scheef. Communicatie is niet hun sterkste troef. Maar ze blijven zoeken naar overlevingsstrategieën: in een opgepoetst zelfbeeld, nieuwe contacten, vaste rituelen, hun fantasie, hun dromen … Met grote vanzelfsprekendheid bijten ze zich vast in illusies, maar even vanzelf laten ze die weer los wanneer de realiteit dwingend wordt. Er is nood en tegelijk onvermogen om zich aan elkaar op te trekken of voor elkaar te zorgen." (Fred Six)

De stukken van Sierens zijn geen 'tranches de vie', maar gaan altijd over het totàle leven. Het zijn lange metaforen over het onmogelijke leven en zijn volgens hem oefeningen en strategieën in overleven waarbij het helend effect op de toeschouwer heel belangrijk is. Het is een 'théâtre cru et drôle, criant de vérité'.

Opvallend zijn steeds de decors van Guido Vrolix: de ijspiste van 'Maria Eeuwigdurende Bijstand', de blauwe circuspiste van 'Trouwfeesten en processen enzovoorts', de negen ton glasscherven van 'Broeders van Liefde', het schokkende stuk tarmac van 'Altijd Prijs', het vuurrode ronddraaiende appartement van 'Apenverdriet', de bamboestellingen van 'Schöne Blumen', de reusachtige wip van 'De pijnders' en de zestien ton zware betonblokken van 'Lacrima'.

Hoewel Arne Sierens vooral bekend is als theatermaker, schreef hij inmiddels een opmerkelijk oeuvre bijéén. Al zijn stukken zijn apart of in verzamelbundels gepubliceerd. Zijn teksten zijn vertaald in verschillende andere talen en worden opgevoerd en gepubliceerd in o.m. Portugal, Frankrijk, Duitsland, Engeland en Amerika.

Arne Sierens behoort bij één van de meest gespeelde auteurs in het Vlaamse amateurcircuit.

_________